Janneke Jonkman
Janneke Jonkman is schrijfcoach en schrijfdocent bij de schrijftuin.

Jannekes vader riep het al jaren: jij moet voor de klas gaan staan. Maar zij wilde het op háár manier doen: ze wilde schrijver worden. Nu leert ze anderen hoe ze ook schrijver kunnen worden.
Ik kom uit een leraarsgezin – dat wil zeggen: mijn vader is leraar, en wat enthousiasme betreft telt hij voor twee. Toch had ik toen ik Nederlands ging studeren aan de UvA, nog geen idee wat ik ‘later wilde worden’. Leraar, moedigde mijn vader mij vanzelfsprekend aan, al jarenlang een fervent prediker van zijn eigen vak, docent klassieke talen – met enig succes, want mijn oudste zus was klassieke talen gaan studeren en belandde een jaar of wat later inderdaad voor de klas. Maar ik haalde mijn toen negentienjarige neusje nuffig op voor het leraarschap, dat was echt níets voor mij. Wat het dan wel zou worden, dat zou vanzelf wel duidelijk worden tijdens die studie, zo redeneerde ik.
En zo begon ik vol goede moed aan mijn studie Nederlands en mijn nieuwe leven in de grote stad. Dat was wel even wennen. Zo staat me nog helder voor de geest hoe ik voor het eerst werd uitgescholden op de fiets, en werd nageroepen op straat (‘Hé, met jou wil ik een keertje neuken’), en ook herinner ik me die eerste keer dat ik met mijn wiel in de tramrails bleef hangen en glorieus ten val kwam. Via via was ik in een ietwat uitgewoond studentenhuis beland in een prachtig pand aan het Valeriusplein, waar met mij nog zestien andere studenten woonden die ik allen met enig wantrouwen tegemoet trad. Zo was er de roodharige die wc-rollen spaarde en alleen maar biologische huisboodschappen deed, het meisje dat ’s nachts naar de koelkast sloop om onze bedorven etenswaren op te eten, de jongen die de hele nacht snoeiharde house draaide en altijd ‘rot op!’ zei als je vroeg of de muziek wat zachter mocht, en de huisgenote die zich door hem liet bezwangeren – in mijn ogen zat er bij allemaal een steekje los. Dus zat ik die eerste weken allenig in mijn kamertje, dwaalde ik door de bibliotheek van de letterenfaculteit, of stond ik in de Copyshop urenlang artikelen te kopiëren en giftige dampen op te snuiven.
Nee, echt leuk werd het pas toen mijn toenmalige mentor en medestudent Vincent Schmitz me vroeg of ik niet eens iets wilde insturen voor het literaire tijdschrift Nymph – ik had immers verteld dat ik schreef? Ik had inderdaad een jaar eerder de Kunstbende gewonnen met een verhaal, en dat wilde ik best opsturen. Zo geschiedde, het verhaal werd geplaatst, en meteen daarna werd ik gevraagd toe te treden tot de redactie – inzendingen waren in die tijd een unicum en daarom werd ik met open armen ontvangen. Vanaf dat moment mocht ik meevergaderen, inzendingen beoordelen (mits die er waren), de rest van het blad vol schrijven en bekvechten met mederedactieleden. Het duurde niet lang of we waren een hecht team dat lange avonden in de kroeg al rode wijn drinkend over literatuur discussieerde en diezelfde gesprekken in het tijdschrift publiceerde onder de naam ‘Spraakwater’. We besloten dat het enigszins stoffige blaadje wel een make-over kon gebruiken en we gaven ons eerste nummer met kleurenkaft en hippe illustraties uit, waarvoor we in de P.C. Hooft-kantine maar liefst vierenhalve gulden vroegen in plaats van de gebruikelijke twee gulden vijftig. Vanaf dat moment raakte Nymph in een stroomversnelling: we werden ingelijfd door een heuse uitgeverij, belandden op de voorpagina van het Parool, en uitgevers begonnen het blad in de gaten te houden. Mederedacteur Niels Carels had, dankzij een interview in de Folia-rubriek ‘Avant La Lettre’, waarin schrijvende studenten aan de tand werden gevoeld, als eerste een contract op zak, niet veel later kreeg ik na eenzelfde interview ook een telefoontje van een uitgever.
Of ik misschien een boek wilde schrijven? En zo had ik, ruim voor het afronden van mijn studie, ineens een passend beroep gevonden. ‘Weet je zeker dat je niet toch liever voor de klas staat?’ vroeg mijn vader na het lezen van mijn debuutroman Soms mis je me nooit. ‘Kies toch voor het onderwijs,’ zei hij, na het verschijnen van mijn tweede en derde roman. Mijn jongste zus was trouwens een even dubieus pad ingeslagen: na het afronden van de Filmacademie en Culturele Studies aan de UvA had ze haar debuut gemaakt als regisseur, en ook haar probeerde hij nog regelmatig op andere gedachten te brengen.
Inmiddels publiceerde ik vier romans, twee non-fictie boeken en schreef ik samen met mijn filmzus een scenario voor een One Night Stand film - naast nog vele artikelen, blogs en verhalen in wording. Voorlopig heb ik dus nog geen carrièreswitch voor ogen. Maar tóch. Als schrijver gaf ik zo nu en dan al schrijfles op middelbare scholen, en in 2009 werd ik officieel docent creatief schrijven. Eerst bij een ander instituut, en algauw richtte ik mijn eigen schrijversopleiding op: de schrijftuin. En zo belandde ik, via een omweg, toch nog op de plek die ik blijkbaar niet kon ontlopen: voor de klas. Al na een les of twee was het alsof ik nooit anders had gedaan, zo leuk vond ik het. Ook mijn jongste zus ging overstag: naast het regisseren werd ze docent aan de Filmacademie.
Kwam alles toch nog goed met het leraarsgezin.
Janneke Jonkman is schrijfcoach en schrijfdocent bij de schrijftuin.